Uitnodiging presentatie Brigadier Kodak neemt een foto

Vol trots presenteren uitgeverij De Muur en schrijver Wiep Idzenga het boek Brigadier Kodak neemt een foto. Het is een bundel met de beste verhalen uit mijn serie Every Picture Tells a Story uit wielertijdschrift De Muur. Stuk voor stuk filmisch geschreven reconstructies die het verhaal vertellen achter een iconische wielerfoto.

Brigadier Kodak neemt een foto

Brigadier Kodak neemt een foto

Zaterdagmiddag 29 november biedt Wiep Michael Boogerd het eerste exemplaar aan. Er is muziek, beeld, mooie woorden en een quiz, en natuurlijk voldoende tijd om bij te praten met een biertje. We starten om 14.00 en gaan er om 17.00 langzaam een eind aan breien.

Het boek is die middag te koop in het café, voor de schappelijke prijs van € 14,95. En hadden we in het kader van Wij van WC-eend adviseren WC-eend al gezegd dat het een prachtig Sinterklaas- of Kerstcadeau is? Bij deze.

Kanis en Meiland 3.0
Levantkade 127,
1019 MJ, Amsterdam

http://www.kanisenmeiland.nl/

De Muur #46

Voorproefje van het septembernummer van De Muur Op de dag dat wij voor deze Muur de bijdrage van Thijs Zonneveld ontvingen, over een te vroeg met leven gestopte wielervriend, kwam er ook een bericht uit België. Igor Decraene is niet meer. De achttienjarige wereldkampioen tijdrijden bij de junioren 2013 was ‘door een noodlottig ongeval’ om het leven gekomen. Hij had ‘een aanrijding met een trein’. ‘Het was een wanhoopsdaad.’ D Ook hij.

Thijs Zonneveld had zijn getuigenis al eerder willen schrijven. Schrijven is helen. Maar hij wilde de rust vinden in een antwoord op alle raadsels die zo’n daad omgeven. Zo jong, zo’n talent, zo’n levenslust en dan dit. Begrijpen is een begrip dat hier zelden past.

De redactie van De Muur is gefascineerd door wielrennen, al tientallen decennia lang. Niemand van ons heeft ooit zelf de hitte en de heftigheid van de koers in lijf en geest beleefd. Wij houden van de verhalen, maar wat weten wij van het gevoel van trainen of voorbereiding, van klimmen en sprinten en dalen, van euforie en twijfel, van pedaleren of steenkapot zitten? Wij zijn eigenlijk meer romantiek dan realiteit. In die jarenlange onvoorwaardelijke liefde voor verbazing, bewondering en ontnuchtering kwam de intensiteit van koers nooit zo dichtbij als met het verhaal van Thijs, over Bart. Wielrennen is een bezigheid die aan de meest duistere kant van het bestaan niet ontsnapt. Als wielrennen dát is, gaat de hoed nog verder af.

Het is herfst. Toch is het toeval dat ook andere auteurs van deze Muur troost zochten bij vallende bladeren. Eveneens werden gegrepen door koerstragedies op piste en weg. Wat gebeurt, keert nooit terug. Maar met het verhaal van Thijs Zonneveld is wielrennen een sport geworden die nóg dieper gaat dan we al vermoedden. Euforie heeft vele kanten. Wie deze Muur leest, zal dat beamen.

John Kroon, Peter Ouwerkerk, Mart Smeets, Bert Wagendorp

Long reads van De Muur

Hoe de Groote Oorlog tourhelden vernietigde is het eerste verhaal uit De Muur dat in digitale vorm beschikbaar is gemaakt. Het verhaal van Muurauteur Jeroen Wielaert is te downloaden als ebook en te lezen in de app van uitgeverij Fosfor. Geniet vooral van al het moois dat we aan de versie hebben toegevoegd. En luister vooral naar de stem van Jeroen terwijl hij zijn schitterende verhaal voorleest. MUUR-iPad-liggend-kiosk

 

Op de dag van de start van de veertiende Tour de France, op 29 juni 1914, werd in Sarajevo aartshertog Frans Ferdinand vermoord. Vijf dagen nadat Philippe Thys in Parijs als winnaar was gehuldigd, werd in die stad de socialistische leider Jean Jaurès vermoord en nog eens drie dagen later verklaarde Duitsland Frankrijk de oorlog.

Het westelijk front van de Eerste Wereldoorlog lag in een van de kerngebieden van wat nog een jonge, maar al buitengewoon populaire sport was: wielrennen. De oorlog eiste de levens van naar schatting negen miljoen mensen, onder wie tientallen wielrenners uit Duitsland, Italië, Frankrijk en België. De beroemdste drie fietsende slachtoffers waren Oscar Lapize, Lucien Petit-Breton en Francois Faber: samen goed voor vier Tourzeges.
Jeroen Wielaert trok langs de slagvelden, ging op zoek naar de verhalen van de gesneuvelde helden uit de oertijd van het wielrennen en ontmoette en passant de kleindochter van één van hen.

Hier de link voor een Long read van de bovenste plank

De Muur #45

Wij hadden Edwin Winkels gevraagd of hij een verhaal wilde schrijven over het Spaanse wielrennen ná de bezem. Immers: reële gele kansen voor Alberto Contador. Onze man in Spanje kwam met een interessante conclu- sie: het Spaanse wielrennen is op sterven na morsdood.

omslag De Muur 45 highres

België wacht al sinds 1976 op een échte erfgenaam van Eddy Merckx. Deze zomer, op 15 juli, is het 45 jaar geleden dat het Merckxisme ontstond. De Tour van 1969: Eddy Merckx rijdt 140 kilometer solo naar Mourenx en wint: de Kannibaal is geboren. De Muur-redactie zet de details van Merckx’ eerste Tourzege op een rij, inclusief de vete tussen titelverdediger Jan Jans- sen en coming-star Rini Wagtmans.

Wie zijn de beste klimmers aller tijden? Herman Chevrolet weet het en legt op erudiete wijze verantwoording af voor zijn keuzes. Klauter mee op de Schaal van Chevrolet en… laat u verrassen.

De Tour de France moet een feest zijn. Maar soms vallen er doden, zoals in 1964, in Port de Couze, dorpje in de Dordogne. Een tankauto miste een bocht, negen toeschouwers vonden de dood. Een dag later leverden An- quetil en Poulidor hun legendarische gevecht op de Puy de Dôme. De Muur kan er nog van gruwelen.

Jeroen Wielaert reisde door het stof van de Grote Oorlog naar Parijs. En hij voelde het dna van Lucien Petit-Breton in de handdruk van diens kleindochter, Yvonne Lagarde.

Verder: onze series. Een mega-interview van Nando Boers met Laurens ten Dam en een reconstructie van de einde-carrièreval van Roger Rivière, getekend Wiep Idzenga.

Leuke kusfoto’s uit de Tour trouwens ook, van Klaas Jan van der Weij. We wensen u een fijne Tour en een fijne zomer.

Muur nummer 45 is vanaf 29 mei in de boekhandel ter verkrijgen en bij abonnees op de deurmat te vinden.

Veld 1 – De jongensdromen van Orjanje

de jongensdromen van Oranje

Uitgeverij De Muur maakt in het kader van het WK voetbal in Brazilië een uitstapje naar het grasveld en heeft in samenwerking met de Volkskrant een speciaal boek gemaakt over Oranje.

‘We mogen vandaag op Veld 1.’ Veld 1 is het belangrijkste veld van elke amateurclub, het hoofdveld. Het is dichtbij de kantine. Het is omgeven door reclameborden en er staat een tribune. De beste jeugdteams van de club mogen er soms voetballen.

Veld 1 is ook het eerste veld, het veld waar de liefde voor de bal zich mengde met de geur van gras en kalk, waar de opwinding van de eerste wedstrijd en de eerste doelpunten door de bomen langs de kant waaiden.

Veld 1 is het veld van de eerste triomfen en de eerste nederlagen. Voetbal begint op Veld 1. Voor Veld 1 – De jongensdromen van Oranje keren de beste sportjournalisten van de Volkskrant met de internationals van nu terug naar hun allereerste veld.

Veld 1 omslagen.indd

Het veld waar de helden van Oranje – Van Persie, Lens, Blind, Huntelaar, Robben, Martins Indi, Cillessen, Strootman, Sneijder, Van der Vaart, Kuijt en bondscoach Van Gaal – hun jongensdromen droomden, lang voor ze hadden gehoord van zaakwaarnemers, doellijnbewaking of transfer windows.

De dromen zijn inmiddels uitgekomen, de roem heeft hun levens veranderd, ze zijn miljonair geworden. Maar allemaal herinneren ze zich het jongetje dat ze ooit waren, op een stille zaterdagochtend op Veld 1.

met verhalen van Charles Bromet, Bart Jungmann, Mark Miserus, Robert Misset, Marije Randewijk, Iwan Tol, Willem Vissers, John Volkers en een inleiding van Bert Wagendorp. Met foto’s van Guus Dubbelman.

Te koop in de betere boekhandel en via de webshop van de Volkskrant www.shop.volkskrant.nl

 

Nieuwe helden – het boek bij de film

Nieuwe helden

Schrijver(s): Nando Boers, Rob Hodselmans, Dirk Jan Roeleven, Bert Wagendorp en Misha Wessel
Te koop: http://blueonbike.nl/blueon-collections/demuur.html

Cover

Tegenlijk bij de premiere van Nieuwe helden verschijnt ook het officiële fotoboek bij de film. Uitgeverij De Muur verzorgde de uitgave op basis van de film. Het boek is uitgebreid met verhalen van Bert Wagendorp, Nando Boers, Dirk Jan Roeleven en Misha Wessel en is in gelimiteerde oplage beschikbaar via www.blueonbike.nl

Nieuwe helden- Het boek bij de film

Nieuwe helden- Het boek bij de film

Nieuwe helden – In het hart van de Tour is het unieke inside-verhaal van een wielerploeg die wil bewijzen dat je ook zonder doping kunt winnen. In de honderdste editie van de Tour de France zint het jonge Nederlandse team van Argos-Shimano op revanche op de oude garde die door jarenlang dopinggebruik het wielrennen heeft verziekt. Dicht op de huid, in cinema vérité stijl, volgt de film van Dirk Jan Roeleven het jonge team. We zijn er bij in de hotelkamers, als de renners gemasseerd worden en in de teambus. We zijn er bij als sprinttalent Marcel Kittel zijn teamgenoten een mooie bonus – “een Rolex?” – belooft bij een etappeoverwinning. We zijn er bij als sprintfavoriet Mark Cavendish zijn concurrent Tom Veelers van Argos vlak voor de finish ten val brengt. We zien het bloed en de wonden en voelen zijn teleurstelling en frustratie.

“Nieuwe helden nestelt zich moeiteloos in de kopgroep van de internationale wielercinema.” – Bert Wagendorp

 

De Muur #44

Lezers,

Jubilea en kroonjaren – niet iedereen heeft er iets mee. Of iemand nu 97 wordt of 100; of een wielerkoers nu 49 jaar geleden werd gesticht of 50. Het zijn de slingers voor het geheugen. O ja… zo hé… al zó lang…? Wat maakt het uit.

Toch is 2014 een jaar met markante momenten. Honderd jaar geleden brak de Eerste Wereldoorlog uit. Aanleiding voor De Muur om stil te staan bij het wielrennen langs de loopgraven: kón dat eigenlijk nog? Dat kon ja, in 1919 alweer. Bert Wagendorp las het schitterende boek Omloop van de Slagvelden van historicus Frank Becuwe en plaatst koers en coureurs in het historisch kader van Grote Oorlog en Hel.

De Muur 44.indd

Er is nóg een memorabele mijlpaal: de 100ste Luik-Bastenaken-Luik, in de volksmond La Doyenne genoemd, de oudste. Niet in edities, wel in jaren. Jan Houa was de eerste winnaar van LBL in 1892, ruim 120 jaar geleden. De tocht door de Ardennen kwam nogal moeizaam op gang; op Place Général McAuliffe in Bastenaken getuigt een M4A3 Sherman Tank van de verdere onderbrekingen.

Luik-Bastenaken-Luik kent een epische geschiedenis en dito erelijst, met Eddy Merckx als vijfvoudige recordwinnaar. De meest huiveringwekkende editie is die van 1980, toen Bernard Hinault alle elementen trotseerde. Hennie Kuiper, tweede, finishte pas toen Hinault al ontdooid was; op twee vingers na. Wiep Idzenga schrijft een fascinerende reconstructie.

In deze voorjaars Muur ook Nando Boers met het langste Tom Boonen-interview ooit, plus een ode van Herman Chevrolet aan Roger De Vlaeminck, de ‘Gitan’ die Boonen na Parijs-Roubaix van 13 april 2014 misschien boven zich zal moeten dulden. Evenmin te versmaden: Mart Smeets ontmoet levensgenieter en wereldverbeteraar Martin Havik en Cees van Zuilen schetst een portret van de excentrieke burggraaf Jean de Gribaldy.

De Muur #44, dé kroon voor een boeiend wielerjaar.

John Kroon, Peter Ouwerkerk, Mart Smeets en Bert Wagendorp

 

Wiep Idzenga en De Muur genomineerd voor de Hard Gras prijs 2013

Het negende deel uit de serie Every Picture Tells a Story van Wiep Idzenga is voorgedragen voor de Hard Gras prijs voor het beste sportverhaal van 2013 en genomineerd ook! Van pure blijdschap voor Wiep publiceren we het verhaal, zodat u het allemaal lezen kunt!

Luis Ocaña koopt een hond: ‘Hierrrr komen Merckx, hierrrr. Braaf, en nu zit. Zit!’

Halverwege de benauwde zomermiddag reed Rini Wagtmans over een bruggetje en keek schuin omhoog. Daar ergens, verscholen achter een rotswand, lag de top van de Col de Menté, de voorlaatste berg van de dag, een col van de tweede categorie. Rijdend in het midden van een groepje achtervolgers nam Wagtmans de bocht naar rechts en begon aan de klim.

images09H4ENPI

Vlak voor hem reed zijn kopman Eddy Merckx, in de witte trui van het combinatieklassement. Het was een vreemd gezicht. De Ronde van Frankrijk 1971 was al toe aan de veertiende etappe en De Kannibaal, de veelvraat, die de laatste twee Tour-edities met ruime voorsprong had gewonnen, hoorde al lang en breed in het geel te rijden.

Eddy Merckx keek over zijn schouder naar Wagtmans en gebaarde dat hij zich op kop moest zetten. Dat José Manuel Fuente, de koploper in de etappe, hier al vijf minuten eerder voorbij was gekomen, gevolgd door een paar onbeduidende renners, interesseerde Merckx geen moer, die waren toch ongevaarlijk voor het klassement. De Belg wilde met iemand anders afrekenen. ‘Rijden, rijden,’ schreeuwde Merckx ter verduidelijking toen Wagtmans hem passeerde.

Eerder die middag had de aanvoerder van de Molteni-ploeg zelf al veel kopwerk gedaan. Tijdens de beklimming van de eerste serieuze bergtop, de Portet-d’Aspet, een col van de derde categorie, was hij zeker viermaal gedemarreerd. Maar elke keer als hij op de steile helling had omgekeken om te zien hoe groot zijn voorsprong was, zag hij van heel dichtbij de gele trui met daarboven het gebruinde gezicht van Luis Ocaña. Wat Merckx ook probeerde, hij kreeg de frêle, Spaanse klimmer niet uit zijn wiel.

De Tourkaravaan had twee bizarre weken achter de rug. In het algemeen klassement had Eddy Merckx aan het begin van de derde Tourweek een achterstand van 7.23 op Luis Ocaña. Merckx op de tweede plaats? Merckx op minuten gereden? Wat was er in godsnaam gebeurd?

Werkelijk alles had de Belg de afgelopen drie jaar gewonnen: van Milaan-Sanremo tot het wereldkampioenschap op de weg, van de Ronde van Vlaanderen tot Parijs-Nice (tweemaal), van Parijs-Roubaix (tweemaal) tot Luik-Bastenaken-Luik en ook in de Tour en de Giro was Merckx uiterst succesvol geweest. Hij had beide grote rondes tweemaal gewonnen en en passant twintig etappezeges behaald. Driemaal was hij de beste in het bergklassement en tweemaal had hij de puntentrui veroverd.

In 1971 was Merckx vrolijk doorgegaan met het verzamelen van hoofdprijzen: Parijs-Nice, Milaan-Sanremo, Omloop Het Volk, Luik-Bastenaken-Luik en de Dauphiné Libéré, om er een paar te noemen. Maar in de laatste twee koersen had Merckx’ aureool van onaantastbaarheid duidelijk glans verloren. In Luik-Bastenaken-Luik was Georges Pintens in staat geweest een gat van vijf minuten naar Merckx te dichten en had hij De Onoverwinnelijke bij de piste-aankomst in Rocourt tot een uiterste krachtsinspanning gedwongen. Eddy Merckx kraakte ook in de Dauphiné Libéré. Tijdens de beklimming van de Col du Granier in de Franse Alpen reed Luis Ocaňa hard van hem weg en als het tijdens de volgende klim niet was gaan gieten – niet het favoriete weertype van de Spanjaard – had de prestigieuze rittenkoers vast en zeker een andere winnaar gekregen.

Rini Wagtmans had Merckx in die Dauphiné Libéré niet kunnen bijstaan, hij reed op dat moment de Ronde van Italië. Maar nu, tijdens de eerste Pyreneeënrit van Revel naar Luchon, trok hij hard door voor zijn kopman. Zo hard dat het groepje snel uitdunde. Voor de opgeraapte renners uit een eerdere vlucht, onder wie Molteni-collega Herman Vanspringel en de Italiaan Mauro Simonetti, lag het tempo te hoog. Ze moesten een voor een lossen. Het was een select gezelschap dat Wagtmans zag toen hij na een tijdje even achterom keek. Net als in het algemeen klassement volgde Joop Zoetemelk (Mars-Flandria) nauwlettend Merckx en Ocaña (Bic). Daarachter zaten de nummers 4, 6, 7 en 9 van de rangschikking: Lucien Van Impe (Sonolor-Lejeune), Bernard Thévenet (Peugeot), Leif Mortensen, Ocaña’s sterke, Deense ploegmaat, en Joaquim Agostinho (Hoover-De Gribaldy). De nummer 5, de Zweed Gösta Petterson (Ferretti), winnaar van de laatste Giro, reed op achterstand. Beurs en ziek van een zware val op zaterdag zou hij even later definitief de remmen dichtknijpen. Wagtmans stond zelf 23ste in het klassement.

De D44 – een grote naam voor een smal landweggetje – liep aan het begin van de klim nauwelijks op. Slingerend door grasland met af en toe een boerderij en een hooischuur volgde de bergpas een beekje. Nu, na een kilometer of drie, steeg de verbindingsweg tussen de Ger- en de Garonne-vallei met tien procent en werden de bochten scherper.

Ondanks de vermoeidheid en de hitte – het was de hele dag ruim 35 graden – genoot Rini Wagtmans van het sleurwerk op kop. Hij stond vooral bekend als een uitstekende daler. Het had hem de bijnaam De Witte Tornado opgeleverd, een verwijzing naar zijn onverschrokkenheid bergaf én de merkwaardige pluk wit haar aan de voorkant van zijn bruine krullenbol. Maar ook bergop werd de oomzegger van Woutje Wagtmans er niet zomaar afgereden. Dat had hij in de Ronde van Spanje van 1969 wel laten zien. Achter winnaar Roger Pingeon en Luis Ocaña was hij derde geworden.

In het koffiebruine shirt van sponsor Molteni – een Italiaanse worstenfabrikant – werden Wagtmans en zijn ploegmaten vandaag geacht gehakt van Luis Ocaña te maken. De Nederlander had bijzonder veel respect voor de kopman van de Bic-formatie. Ze hadden veel meegemaakt samen.

Een paar jaar eerder waren de twee met de auto door Frankrijk getrokken om zoveel mogelijk lucratieve criteriums te rijden. Wekenlang aten en dronken ze samen en deelden ze een hotelkamer. Het was eind jaren zestig, Wagtmans reed nog voor Willem II en Ocaña voor Fagor. In die tijd maakte Wagtmans ook kennis met de obsessie van de Spanjaard voor de Ronde van Frankrijk. Vanaf het moment dat Jesús Luis Ocaña Pernia in 1968 professional werd, beweerde hij ooit de Tour te zullen winnen. Met eigen ogen zag Wagtmans hoe Ocaña altijd in een gele onderbroek onder de dekens kroop. En als hij vergeten was zijn favoriete ondergoed in te pakken, struinde Ocaña in het dorpje waar ze gelogeerd waren alle winkels af, op zoek naar iets geels om in te slapen.

Ocaña’s eerste kennismaking met de Ronde van Frankrijk was geen prettige. Al in de zesde rit van de Tour van 1969 was de kersverse Spaans kampioen in een korte afdaling in de Vogezen zwaar ten val gekomen. Terwijl hij uit talloze schaafwonden op zijn gezicht en lijf bloedde, hadden zijn Fagor-ploegmaten hem aan trui en broek de Ballon d’Alsace opgesleept. Na de finish bergop raakte hij buiten bewustzijn en kreeg hij in het ziekenhuis bloed en vocht toegediend. Toch stapte Ocaña de volgende dag weer op de fiets. Het werd een kansloze missie. Doordat zijn pols en arm zo gekwetst waren dat hij geen eten uit de zakken van zijn koerstrui kon halen, moest Ocaña door zijn ploegmaten worden gevoerd. Door de pijn deed hij ’s nachts amper een oog dicht en in de ochtend zaten de lakens vastgekleefd aan zijn schaafwonden. Twee dagen later stapte Ocaña alsnog af in de Tour, die door een andere debutant, een zekere Eddy Merckx, zou worden gewonnen.

Een jaar later kwam Luis Ocaña als winnaar van de Vuelta naar Frankrijk, maar het zat hem opnieuw niet mee. In de Alpen werd hij ziek. Hij kon geen rol van betekenis meer spelen in het klassement – hij werd 31ste – maar eenmaal redelijk hersteld won hij in Saint-Gaudens wel zijn eerste Touretappe. Dat de ploeg van Merckx die dag de achtervolging had ingezet, ondanks Ocaña’s grote achterstand in het klassement, vond hij belachelijk. Eddy Merckx vond het op zijn beurt ongehoord dat Ocaña in de openingsweek in de aanval was gegaan toen hij, Merckx, lekreed. De twee waren al geen vrienden, maar vanaf die tijd noemde Ocaña de Belg ‘die andere’.

‘Die andere’ passeerde nu met het groepje Ger-de-Boutx, een gehuchtje op zeven kilometer van de top van de Menté. Hier begon de D44 na een korte afdaling weer serieus op te lopen. Tussen de boeren in hun overalls, die langs de weg stonden te kijken, zag Merckx ook vakantiegangers in zwembroek en bikini. Ze hadden gelijk, het was weer om er zo bloot mogelijk bij te lopen. Merckx zuchtte, veegde het zweet van zijn voorhoofd en keek verlangend naar boven, naar het gedeelte van de beklimming waar bomen langs de weg stonden. Eindelijk wat schaduw, verdoeme.

Al ruim een maand klaagde Eddy Merckx dat hij zich niet goed voelde, dat hij zo’n last had van de warmte en dat hij slecht kon transpireren. ‘Hartproblemen,’ schreven sommige kranten. Hij was uitvoerig onderzocht, maar de doktoren hadden niets kunnen vinden. Merckx was daarom op 26 juni gewoon van start gegaan in Mulhouse voor de proloog, een ploegentijdrit, maar hij voelde zich lang niet zo krachtig als in de voorgaande twee seizoenen. Minder zeker van zijn zaak, was hij de eerste Tourweek druk geweest met het sprokkelen van bonificatieseconden. Toch was zijn voorsprong in het algemeen klassement na tien koersdagen pas 36 seconden op Joop Zoetemelk en 37 op Luis Ocaña. Hij had zijn tegenstanders niet met huid en haar opgevreten, zoals in 1969 en 1970.

‘Kan Merckx de Tour verliezen?’ kopte een krant, toen al.

Vandaag voelden zijn benen gelukkig een stuk beter aan dan op Merlette, waar de tweede rustdag op de rol stond, drie dagen geleden nu. Hopelijk waren de Pyreneeën hem beter gezind dan de Alpen. Maar allez, aan die desastreus verlopen etappes van vorige week moest hij nu niet denken. Merckx klom uit zijn zadel, zette aan en ging net achter Rini Wagtmans rijden. ‘Komaan,’ riep hij, ‘gas!’

Al in de achtste etappe – de eerste met finish bergop – was er aan de poten van Merckx’ troon gezaagd. Op de mistige flanken van Puy-de-Dôme, een uitgedoofde vulkaan in het Centraal Massief, trok eerst de jonge Bernard Thévenet ten aanval. Merckx, die de etappe met zijn ploeg aanvankelijk wel onder controle leek te hebben, kreeg het gat amper dicht. De Belg oogde niet erg sterk en op vier kilometer van de top sprong Luis Ocaña weg. Hij was immuun voor het virus van berusting dat het peloton sinds 1969 had besmet en pakte in een mum van tijd veertig seconden. Merckx had geen ploegmaten meer om zich heen en van Zoetemelk, Van Impe, de Zweedse broers Petterson en nog enkele klassementsrenners en klimmers hoefde hij niks te verwachten. Die vonden het wel vermakelijk: Koning Eddy in de problemen.

Na afloop van de etappe zei Joaquim Agostinho dat hij het onsportief vond dat renners die de hele dag in het wiel van Merckx hadden gezeten, ervandoor gingen toen ze zagen dat hij moe was. ‘Ik zag hoe Eddy leed,’ vertelde de Portugees, ‘en toen dacht ik: ik blijf nog even bij hem.’ Medelijden met De Kannibaal, veel gekker moest het niet worden. Agostinho’s empathie kende overigens wel grenzen, want op één kilometer van de streep reed hij samen met Zoetemelk weg bij Merckx. Met een geweldige eindspurt, waarbij hij zijn fiets bijna in tweeën brak, kon Merckx het verlies op etappewinnaar Luis Ocaña reduceren tot vijftien seconden. Klein bier was het, maar vooral voor Ocaña was het mentaal een opsteker van formaat. Met de anderen vroeg hij zich af of Merckx dan toch eindelijk de tol betaalde voor vier jaar onophoudelijk aanvallen.

Merckx’ tegenstanders roken bloed en toen de Belg twee dagen later in de afdaling van de Col du Cucheron lekreed, op dertig kilometer van de streep in Grenoble, demarreerden Thévenet, Ocaña, Zoetemelk en Gösta Petterson onmiddellijk. Merckx had ook nog de pech dat de fietswissel een eeuwigheid duurde en zijn band er even later in volle afdaling afliep. Het was nog een wonder dat hij na de beklimming en de afdaling van de laatste helling, de Col de Porte, uiteindelijk maar 1.36 minuut had verloren op de vier eersten.

Het was een historisch moment, want voor het eerst verloor Merckx in de Tour zijn gele trui aan een niet-ploeggenoot. Zoetemelk was – ook voor het eerst in zijn carrière – de nieuwe leider, met Ocaña op één seconde en Merckx op een minuut. Merckx sprak van problemen met de spijsvertering, maar voor de zekerheid ging hij de volgende dag toch ook weer een nieuwe fiets proberen, de zeventiende van het seizoen. Zoetemelk reed nog steeds op zijn eerste. Die gebruikte hij ook voor de tijdritten. Merckx had een neurose voor techniek, er moest altijd wel iets worden veranderd aan zijn fiets, voor, na en vooral tijdens de koers.

Veel geluk zou deze fietswissel Merckx niet brengen. Het ergste moest nog komen.

Op de Col de Menté reed de groep Merckx/Ocaña inmiddels tussen de bomen. Met Wagtmans aan de leiding hadden ze nog meer vroege vluchters opgepikt. Jan van Katwijk van de Nederlandse ploeg Goudsmit-Hoff bijvoorbeeld, die samen met Fuente en drie anderen na iets meer dan een uur koers was ontsnapt.

Wagtmans voerde het tempo nog meer op. Hij wilde Ocaña ‘de nek eraf rijden’. Die Spanjaard moest niet denken dat de Tour al gedaan was.

Gek was het wel om op deze col zo tegen Ocaña te rijden. Ze hadden ook wel samen getraind, hier in de bergen van Hautonne, niet ver van de Spaanse grens. Wagtmans kende dit gebied op zijn duimpje. Net als veel andere berggebieden in Frankrijk trouwens. Met een bevriende Fransman verkende hij buiten het seizoen de afdalingen en beklimmingen. Het liefst reed hij dezelfde trajecten ook nog in verschillende weerstypen. De Tourmalet oprijden in de hitte was toch heel wat anders dan in de regen of in de kou. Wagtmans ging met coureurs uit de streek op pad en sloeg alles op. Het hoofd van Rini Wagtmans was een TomTom avant la lettre.

Tijdens die verkenningstochten, de criteriums en de koersen die Rini Wagtmans met Ocaña reed, had hij steeds meer respect gekregen voor de Spanjaard. Luis Ocaña kon geweldig afzien. Als geen ander was hij in staat dwars door de brand in zijn benen heen te fietsen. Kon Merckx bergop 200 meter langer dan de anderen de zwaarste versnelling doortrappen – genoeg om weg te komen – Ocaña reed soms een hele beklimming op het buitenblad. Om zichzelf nog meer pijn te doen – hij kreeg er een adrenalinestoot van – liet Luis Ocaña zich soms steken door bijen. Wagtmans had het zelf gezien. Ocaña droeg zo’n beestje in een potje met zich mee, pestte het een tijdje en liet de bij dan in zijn bovenbeen prikken. Wagtmans keek er niet van op. Ook niet van de acupunctuur die Ocaña op zichzelf toepaste. Dat deed hij op zijn hotelkamer, maar Rini Wagtmans had Ocaña ook wel eens tijdens een rit de dunne naaldjes in zijn benen, billen of heupen zien steken.

Luis Ocaña haalde ooit voor de lol een auto helemaal uit elkaar, om hem daarna weer vrolijk in elkaar te zetten.

De Spanjaard was een merkwaardig heerschap – ‘hoe beter de klimmer hoe gekker,’ werd er wel gezegd – maar net als veel collega’s mocht Wagtmans Ocaña bijzonder graag. Hij vond hem ‘een heel lief mens’. In het peloton was het ook algemeen bekend dat Ocaña een gevoelige man was, vatbaar voor psychische druk, zeker op dagen dat hij wat minder was. En die waren er genoeg in Ocaña’s carrière. De vele valpartijen en zijn zwakke gezondheid – de Spanjaard had als gevolg van tuberculose slechte longen – maakten van Ocaña op gezette tijden een twijfelaar. Wagtmans meende zelfs dat er twee fietsende Ocaña’s waren: een goed roulerende en een tobbende. Was zijn rivaal Eddy Merckx op slechte dagen nog goed genoeg om te winnen, bij Luis Ocaña was het alles of niks.

Wagtmans stuurde zijn fiets langs een stuk gesmolten asfalt en hoopte op zo’n offday van de Spaanse klimmer; dan maakten ze nog een kans. Als Ocaña vandaag net zo goed zou zijn als vier dagen geleden, tijdens de voor de Molteni’s rampzalig verlopen etappe van Grenoble naar Orcières-Merlette, dan was Merckx reddeloos verloren.

Een dag na het verlies van de gele trui aan Joop Zoetemelk leidde Eddy Merckx de grootste nederlaag in zijn loopbaan zelf in. Ook zijn zeventiende fiets zat hem niet lekker. Merckx had zich net na het vertrek uit Grenoble wat laten afzakken om mechanieker Marcel Rijckaert er een ander zadel op te laten zetten, toen Agostinho, Zoetemelk, Van Impe en Ocaña er op de Côte de Laffrey onmiddellijk vandoor gingen. Het was een harde en lange bergpas, een sluipmoordenaar die weinig gelegenheid bood even op adem te komen. Dat ondervond vooral Eddy Merckx. In de verzengende hitte en met een steeds kleiner wordend peloton in zijn spoor werd de Belg gedwongen tot ruim honderd kilometer achtervolging. Bovenop de Côte de Laffrey lag hij al twee minuten achter op de koplopers. Hij slaagde er nog wel in om Zoetemelk en Agostinho te achterhalen, die zich direct in zijn wiel zetten en geen kopwerk meer deden, maar Van Impe en vooral Ocaña kreeg hij niet te pakken. Integendeel. De impulsieve en onvoorspelbare Spanjaard had de anderen op de Col de Noyer achtergelaten en op merckxiaanse wijze bouwde hij in de resterende zeventig kilometer de voorsprong op de Belg uit tot bijna negen minuten.

De wielerwereld stond op zijn kop. Dit was een historische race geweest, prehistorisch wellicht. Zo wonnen Charly Gaul, Fausto Coppi en Gino Bartali hun wedstrijden, met lichtjaren voorsprong op hun naaste concurrenten. Wat Luis Ocaña had gedaan, was al tijden niet meer vertoond.

Eddy Merckx liep aan de finish in Orcières-Merlette niet weg voor het verlies en ook niet voor de camera’s en de microfoons. ‘Luis Ocaña heeft me vandaag een steek gegeven zoals een toreador die een stier definitief wil afmaken,’ zei Merckx met gevoel voor dramatiek. ‘Zelfs als ik beter in vorm was geweest, had ik hem vandaag niet kunnen volgen. Ocaña is te sterk, zeker als het zo warm blijft. Een ritzege is voor mij nu nog het hoogst haalbare.’

In het onderkomen van de Molteni-ploeg bevestigde Merckx aan zijn collega’s dat hij de handdoek in de ring gooide. ‘Kom op Eddy,’ zei Rini Wagtmans, ‘morgen is een rustdag, we bedenken wel wat.’

Ook de volgende ochtend sprak de Nederlander zijn kopman moed in. Wagtmans vroeg Merckx of hij wist welke veldslagen Napoleon allemaal gewonnen had. Merckx wist er niet een, maar hij kon wel de plaats van Napoleons enige verlies noemen. ‘Zo moet het dus niet zijn,’ zei Wagtmans strijdlustig. ‘Orcières-Merlette wordt niet jouw Waterloo.’ Het hielp ook dat Merckx meer dan duizend steunbetuigingen had gekregen, waaronder telegrammen van autocoureur Jacky Ickx, voetbalvriend Paul Van Himst en koning Boudewijn.

De ploeg bedacht een diabolisch plan. De volgende etappe, naar Marseille, begon bovenop de Merlette, de col van eerste categorie (1817 meter) waar het peloton voor de rustdag was gefinisht. De sterkste dalers van de ploeg – naast Wagtmans en Merckx ook Julien Stevens en Joseph Huysmans – zouden er vanaf seconde één vandoor gaan in een poging Luis Ocaña te verrassen. De ploeg verkende de eerste veertig kilometer per auto en per fiets, en ’s avonds ronselde Wagtmans bij andere ploegen nog wat mannen zonder schrik voor de afzink, onder wie Jos van der Vleuten van Goudsmit-Hoff.

De volgende ochtend stond een ontspannen Luis Ocaña vlak voor het vertrek in zijn gele trui achterin het peloton nog wat te kletsen met Spaanse journalisten. Johnny Schleck – de latere vader van Frank en Andy – had zijn kopman Ocaña nog gewaarschuwd dat Merckx en zijn mannen al helemaal vooraan stonden, maar de geletruidrager geloofde niet dat de Molteni’s al in de afdaling zouden aanvallen. Dat deden ze wel – Wagtmans was al vertrokken voordat Tourdirecteur Félix Lévitan staand in de auto zijn arm had laten zakken. Stevens, Huysmans en Merckx sloten snel aan, net als Van der Vleuten en nog wat anderen. Onderaan de Merlette hadden de kamikazes al meer dan een minuut voorsprong op Ocaña en co.

Het werd een bizarre etappe met een vlucht van 250 kilometer bij een recordsnelheid (ruim 45 kilometer per uur) en een wilde achtervolging. Het verschil tussen de groepen van Merckx en Ocaña, die ook razendsnel hulp had geregeld, schommelde voortdurend tussen de veertig seconden en twee minuten. ‘Dit zullen wij nooit meer meemaken,’ zei Briek Schotte, de 51-jarige ploegleider van Joop Zoetemelk. ‘Het was het mooiste gevecht dat wij ooit hebben gezien.’ Hoe verschrikkelijk hard het de hele dag ging, bleek ook uit het relaas van Johnny Schleck, die geen tijd had gehad om het zilverpapier van zijn rijstevlaatje te trekken. Hij had het daarom maar in zijn geheel opgegeten. Behalve brandende benen had hij ’s avonds ook pijn aan zijn vullingen.

De Italiaan Luciano Armani won de sprint voor Merckx, maar omdat de kopgroep ruim vijf kwartier voor op schema aan de meet arriveerde, waren weinig mensen daarvan getuige. Marseille leek een spookstad. Kruispunten waren nog niet afgezet, burgemeester Gaston Deferre en zijn gasten wachtten binnen nog op hun toetje en toen televisiejournalisten hun restaurant verlieten, liepen ze gefinishte coureurs tegen het lijf. Het was wederom een memorabele rit, maar de burgemeester van Marseille was not amused. Zolang hij leefde zou de Tour zijn stad niet meer aandoen, schreeuwde hij. Hij hield woord. Pas na zijn dood, in 1989, keerde La Grande Boucle terug in de haven aan de Middellandse Zee, na Parijs de grootste stad van Frankrijk.

Eddy Merckx was ook niet blij, want na een dag keihard werken had hij amper twee minuten teruggewonnen op Luis Ocaña. Rini Wagtmans zag het zonniger in. Hij had Ocaña richting podium zien strompelen, steenkapot en zijn gezicht zo geel als zijn trui. De Spanjaard ging het niet redden, beweerde Wagtmans tegen Merckx. Ze moesten gewoon niet ophouden om hem onder druk te zetten. Ergens zou hij breken.

Dat gebeurde de volgende dag nog niet. In een individuele tijdrit over ruim zestien kilometer verloor Ocaña slechts elf seconden op winnaar Eddy Merckx.

Gevraagd naar de strijd tussen de twee rivalen in het vervolg van de Tour, zei Ocaña slechts: ‘Het is gemakkelijker vijf olifanten in de armen te houden dan één vos.’ De vos was Merckx, de man door wie Luis Ocaña geobsedeerd was geraakt. In het voorjaar van 1971 had de Spanjaard zelfs een hond gekocht, een alsatian, die hij Merckx noemde. Ocaña vond het heerlijk om door huis te lopen en het beest te commanderen: ‘Hierrrr komen Merckx, hierrrr. Braaf, en nu zit. Zit!’

Een dag na de tijdrit bereikte Rini Wagtmans rond drie uur in de middag een open stuk op de Col de Menté. Hij schatte dat het nog een kilometer of twee was naar de top op 1350 meter. Wagtmans zag opnieuw de asgrauwe wolken schuin boven zich. Eerder in de klim had hij de dreigende lucht ook al gezien, maar toen hij reed door het ‘Bois Épais’ of het ‘Dikke Woud’, was die een tijdje aan zijn oog onttrokken. De groep reed vandaag in het gedeelte van de Pyreneeën dat de Circle of Death werd genoemd, omdat het er zo geweldig kon spoken. Hoorde hij nou gerommel in de verte?

Wagtmans trok nog een paar honderd meter hard door en zag toen Eddy Merckx over zich heen komen. Het was een tempoversnelling die alleen Ocaña, Zoetemelk en Van Impe konden volgen. Wagtmans keek over de ruggen van de vier de weg af en zag plots de groene trui rijden. Verrek ja, Cyrille Guimard reed ook nog vooruit. De Franse sprinter deed het dit jaar bijzonder goed in de bergen en was er een kilometer of veertig eerder vandoor gegaan, nog voor de Portet-d’Aspet.

Ocaña hoefde opnieuw geen veer te laten bij een demarrage van Eddy Merckx en hij glimlachte. Nu leek het altijd of Luis Ocaña glimlachte, want zijn mondhoeken stonden standaard omhoog gekruld. Soms oogde het tragisch. Met zijn gitzwarte haar, lange bakkebaarden, donkere ogen en ranke, sterke lijf was Ocaña voor vrouwen onweerstaanbaar. Dat hij – gespeeld of niet gespeeld – verlegen en enigszins raadselachtig was, speelde ook mee in zijn aantrekkingskracht.

Dit keer glimlachte Luis Ocaña echt, want aan de andere kant van de Col du Portillon (1308 meter), de laatste beklimming van de dag, lag zijn geboorteland Spanje. Daar zouden ze vandaag een kilometer of twintig doorheen koersen. Met het geel om zijn schouders zou het een glorieuze intocht worden in het land dat hij in 1957 als twaalfjarige had verlaten.

Tot dat moment was het armoe troef geweest voor Luis Ocaña en zijn familie. Zijn biograaf François Terbeen omschreef Ocaña’s geboortedorp Priego in de provincie Cuenca als ‘een desolaat landschap waar alleen ellende te noteren viel’. Het was een naargeestig oord in het hart van Spanje, 150 kilometer ten westen van Madrid. Ver weg van de bewoonde wereld leefden de vijf gezinsleden – Luis met zijn ouders, zus Amparo en broer Antoine – van wat schapen en een paar olijfbomen. Soms kon vader Luis Ocaña senior tijdelijk wol karen in een textielfabriek. Vaak kwam er ’s avonds alleen wat oud brood op tafel. Vlees was een luxe, net als snoepjes met kerst. Als ventje van een jaar of zes kopieerde Luis zijn vader door te weigeren om te eten als hij zag dat er niet genoeg was voor iedereen.

De verhuizing naar Vila in de Aranvallei, in de Spaanse Pyreneeën met zicht op de Col du Portillon, veranderde weinig aan de leefomstandigheden van de Ocaña’s. Vader vond werk in een mijn en verdiende later de kost als houthakker, maar het bleef pinaren. Geld voor een fiets was er niet, dus liepen Luis en zijn zus elke dag de elf kilometer naar en van school in hun zomerkleding, ook in de winter. Op school kregen ze klappen van een leraar die een hekel had aan arme kinderen en thuis hoefden ze ook niet op een knuffel te rekenen: ze moesten hard worden om te kunnen overleven. Moeder Ocaña was wel zo aardig om haar kinderen rond theetijd binnen te houden, zodat ze niet hoefden te zien dat de buurtkinderen wel te eten kregen. Luis’ zus zou het leven in de Aranvallei later de hel op aarde noemen.

Toen vader en moeder Ocaña de grens met Frankrijk overstaken, braken er betere tijden aan. In Mont-de-Marsan in de Armagnac kon een houthakker wel eten op tafel krijgen voor zijn gezin en er was zelfs geld voor een fiets. Luis had een paar jaar later zelf ook een salaris als timmerman, en met een betere fiets reed hij al snel de jeugd van de lokale club Stade Montois op een hoop, vooral bergop. Afzien hoefde niemand hem te leren.

Van het succes van zijn zoon als wielrenner mocht vader Ocaña niet lang genieten. Op zijn ziekbed kwam Ocaña junior hem in 1968 de trui van de Spaanse kampioen brengen. In datzelfde jaar stierf hij, 49 jaar oud, aan de prostaatkanker waaraan hij zich niet had willen laten behandelen.

Luis Ocaña was inmiddels getrouwd met Josiane, een Française, en zes maanden voor de dood van zijn vader werd hun zoon Jean Louis geboren.

Op het moment dat Eddy Merckx vlak onder de top nogmaals op zijn trappers ging staan, in een ultieme poging Cyrille Guimard voor de streep te achterhalen, knalde de eerste donder door de bergen. Het was geen vooraankondiging, want ogenblikkelijk schoten bliksemflitsen door de lucht. Het begon hard te waaien. Snel vielen ook de eerste regendruppels, en ze vielen massaal. Nog voor ze boven waren, had de regen de vier leiders in het klassement doorweekt tot op het bot.

Op de top was het donker en de harde regen ging over in hagel. Het deed de renners pijn aan de rug. Rini Wagtmans, die twintig seconden na zijn kopman aan de afdaling was begonnen, dacht dat de duivel de macht had gegrepen. Of dat alle goden oorlog voerden met elkaar. Dat hij een film was binnen gefietst met speciale effecten. Maar al die beschrijvingen bedacht hij pas achteraf om de mensen die er niet bij waren duidelijk te maken door wat voor hel ze waren gereden. Nu had hij al zijn aandacht nodig bij de weg.

Elk normaal mens had in deze barbaarse omstandigheden – kranten spraken over ‘apocalyptisch’ en ‘een inferno’ – een plaats om te schuilen gezocht, maar schuilen deden profwielrenners niet, zeker niet in de Tour de France. Eddy Merckx had het weleens meegemaakt, in de Giro van 1968, dat collega’s een veilig heenkomen hadden gezocht, maar ook toen was hij doorgereden.

Niemand had dit noodweer voorzien, ook Merckx niet, maar nu het er toch was, kon hij er maar beter gebruik van maken. Dit was zijn kans. Luis Ocaña stond niet bekend als een al te beste daler – hij kroop te dicht op zijn stuur en reed op een te lichte fiets, die in afdalingen ging slingeren. Merckx moest de Spanjaard op deze berg achterlaten en met voorsprong aan de Col du Portillon beginnen, dan wilde hij het allemaal nog weleens zien.

Merckx had Cyrille Guimard, die de top vijf seconden eerder was gepasseerd, al ingehaald en stuurde zijn fiets op goed geluk door een grijs, ondoorzichtig scherm van regen. Het goot nu zo hard dat er niet meer zicht was dan een meter of tien, twintig, misschien wel minder. Het bruine modderwater stroomde in geultjes langs de kant van de weg en op sommige plekken ook over de weg. Het water dat van de bergwand naar beneden stroomde, nam steentjes en slib mee. Al in de derde bocht voelde Merckx zijn achterwiel wegschieten, maar hij bleef op de been. Weer aanzettend keek hij over zijn schouder. Hij zag dat Guimard en Ocaña hem nog volgden, maar naar Van Impe en Joop Zoetemelk in zijn rood-wit-blauwe trui was al een gaatje gevallen.

In het angstaanjagende decor merkte Luis Ocaña dat zijn remblokjes dienst weigerden. Bij een haarspeldbocht waar hij te hard op af reed, zette hij beide schoenen op het tarmac en probeerde zo bij te remmen. Het veroorzaakte fonteinen van water, maar het lukte. Glibberend en glijdend kwam Ocaña heelhuids door deze bocht.

Ocaña’s ploegleider Maurice De Muer – ook wel ‘kleine Napoleon’ genoemd – had zijn belangrijkste renner vooraf op het hart gedrukt geen risico’s te nemen in de afdalingen. Hij moest niet proberen om Merckx te volgen, dat gat kon hij bergop wel dichten. Zo niet, dan verspeelde hij maar een minuutje, zijn voorsprong was riant genoeg. En over twee dagen was er ook nog de koninginnenrit met de Peyresourde, de Col d’Aspin, de Tourmalet en de Aubisque.

Luis Ocaña trok zich niks aan van de woorden van zijn ploegbaas en volgde kamikaze Merckx als een schaduw. De regen kwam nog steeds met bakken uit de hemel toen de drie koplopers een serie scherpe bochten ongeschonden doorkwamen. Ze passeerden een groep toeschouwers die in zwembroek schuilden onder hun paraplu’s. Even was er een stuk rechte weg, tenminste voor zover ze konden kijken, en of ze nu wilden of niet, de drie maakten vaart. Om elf minuten over drie reden ze langs een rotswand aan de rechterkant van de weg, onwetend dat de Tour de France 1971 over minder dan een minuut beslist zou zijn.

Op het door regen, hagel en slijk spiegelglad geworden wegdek ging de normaal zo handige Merckx als eerste onderuit. Hij schrok van de bocht naar links, die plots zichtbaar werd achter de rotswand. Dat zijn voorband leegliep, hielp ook niet. Merckx slipte, toucheerde de rotswand en ging onderuit. Hij bezeerde zijn knie. Guimard wist wonderlijk genoeg op de fiets te blijven, maar Ocaña klapte ook tegen het asfalt en schoof over een strook ruwe stenen in een geultje dat was volgelopen met bruin water.

Eddy Merckx stond gelijk op, legde zijn ketting erop en net voor hij zijn tocht naar beneden vervolgde, keek hij nog even om naar Luis Ocaña. Die krabbelde overeind in zijn besmeurde en gescheurde gele trui en graaide naar zijn fiets die twee meter verderop lag. Merckx was vertrokken. Hij zou pas tussen de Col de Menté en de Col du Portillon vernemen wat er zich achter zijn rug had afgespeeld.

Joop Zoetemelk had in de eerste bochten van de afdaling de voorsten laten gaan. Hij had geen idee hoe groot zijn achterstand was. Hij kon Merckx, Van Impe, Ocaña en Guimard al niet meer zien. Aansluiten was van later zorg, eerst moest hij in deze stortvloed heelhuids beneden zien te komen. Hij had bij de doorkomst een jaar eerder gezien hoe diep de ravijnen hier waren.

De nummer twee van de Tour van 1970 had geregeld geremd met een voet op het asfalt om snelheid te minderen. Dat deed Zoetemelk nu ook om niet onderuit te gaan, want zijn voorband was plat. Het zicht was heel slecht. Hij passeerde de rotswand die Merckx had aangetikt. Achter het uitstekende stuk gesteente dook in de stromende regen plots een renner op. Het was Luis Ocaña, die net weer op zijn fiets wilde klimmen. Joop Zoetemelk herkende hem aan het geel in zijn trui. Het gat tussen de twee was nog maar een paar meter en wat hij ook stuurde, hij gleed in de spekgladde bocht recht op de Spanjaard af. De twee knalden hard op elkaar. Zoetemelk raakte Ocaña in zijn middenrif en op zijn borst.

Zoetemelk deed wat elke renner instinctief doet na een val: zijn fiets pakken. Hij kreeg een nieuw voorwiel uit de ploegleiderswagen die de Nederlander op weg naar beneden nog wat had kunnen bijlichten. Zonder om te kijken dook Zoetemelk de duisternis weer in, richting Saint-Béat.

De auto van Bic-baas Maurice De Muer was ook gestopt, net voor Luis Ocaña, die gepoogd had op te staan, maar direct weer was gaan zitten. Hij had zijn mond wijd opengesperd. Ook Jacques Goddet, samen met Félix Lévitan de baas van de Tour, stond al bij Ocaña met een van de artsen. Er verzamelden zich nog wat mensen rond de geletruidrager onder wie een man in een lange regenjas. Hij zag als eerste dat er nog meer renners de hoek ingleden waar Ocaña in de modder zat.

Ook bij goed weer was Joaquim Agostinho een daler van niks. Hij kneep altijd op de verkeerde momenten in de remmen en wist nooit goed hoe hij een bocht moest aansnijden. In het noodweer op de Col de Menté was de angst de Portugees, die in 1984 in de Ronde van de Algarve zou overlijden na een aanrijding met een hond, helemaal om het hart geslagen. Het was een godswonder dat hij de dag overleefde.

Net voor Agostinho reed de Spanjaard Vicente López Carril. Die was zo verstandig om met de rechtervoet aan de grond langzaam de scherpe bocht naar links in te gaan. Joaquim Agostinho – ook zijn remblokken gaven geen sjoege meer – had veel meer vaart, stoof zijn mededaler rechts hard voorbij, schoot rakelings langs de geparkeerde ploegleiderswagen en reed vol in op het groepje rond Ocaña. De man in de regenjas probeerde hem nog te stoppen met zijn armen, maar Agostinho ging veel te hard. Hij knalde op De Muer, die met zijn rug naar Agostinho gebogen over zijn kopman stond. De stevige ploegleider viel bovenop Ocaña.

Agostinho zat even beduusd naast Luis Ocaña, kroop overeind, stapte op zijn fiets en werd door een omstander de weg op geduwd.

Luis Ocaña keek ook verbaasd om zich heen, probeerde te bevatten wat er was gebeurd en legde toen zijn hoofd op zijn knie. Hij zakte daarna weg, dreigde om te vallen, maar werd opgevangen door de Tourarts.

Maurice De Muer probeerde nog wel om Luis Ocaña overeind te helpen, maar door de klap leek alle kracht verdwenen uit het tengere, tanige lijf. Als een dood vogeltje hing Ocaña op de modderige stenen; hij moest worden ondersteund. Hij deed zijn mond steeds wijd open en stak zijn tong naar buiten. Hij had zichtbaar pijn en was in ademnood. Armand Bertrand, de motorrijder van Het Laatste Nieuws – Sport 80, dacht zelfs dat Ocaña zou stikken. De fotograaf die hij naar boven had gereden, schoot de plaatjes die de wereld de volgende dag zouden doen schrikken.

Het duurde lang voordat de ziekenauto arriveerde. Ocaňa had een veiliger plekje gekregen achter de auto en helpers wikkelden de uitgeschakelde zonnekoning in dekens. Hij bleef huilend en met een van pijn vertrokken gezicht naar adem happen en soms voelde hij aan zijn kunstgebit, een erfenis van zijn armoedige tienerjaren waarin al zijn tanden waren uitgevallen. Soms brabbelde hij iets onsamenhangends en af en toe verloor hij het bewustzijn.

Ondertussen passeerde een stoet achterblijvers. Ontredderde schimmen die opdoken uit het niets, onderuitgleden, opstonden, terug op hun fiets klommen en verdwenen. Allemaal dachten ze een glimp van de gele trui op te vangen, maar niemand had tijd om goed te kijken, de Tour ging door. Af en toe bleef een renner overeind. Zoals Jan van Katwijk, die de geparkeerde ziekenauto in bocht veertien op een haar na miste. Er was niemand om de renners ervoor te waarschuwen.

Rini Wagtmans was al eerder voorbijgekomen op de rampplek. Hij zag dat er iets gebeurd was, maar had alle aandacht nodig voor de weg. In afdalingen probeerde hij altijd tijd goed te maken, zelfs vandaag. Lucien Van Impe, die zich vasthield aan een auto omdat zijn remmen het niet meer deden, werd even later ingehaald door de Nederlander. De zot. Wagtmans daalde alsof er geen modder en stenen op de weg lagen en het in de bochten niet spekglad was. Zijn eigen ploegleider Lomme Driessens kon er geen waardering voor opbrengen. Hij zag Wagtmans met een lekke voorband voorbij stuiven, bijsturend en remmend met beide voeten op de grond. ‘Wagtmans had morsdood moeten zijn,’ zei Driessens na afloop van de etappe kwaad.

Dat het niet gebeurde was een wonder, want terwijl Wagtmans ook Merckx bijna inhaalde, liep zijn achterband leeg. Hij kon onmogelijk de naderende bocht door zonder te vallen, dus Wagtmans probeerde met zijn schoenen op het achterwiel af te remmen. Hij ging nog steeds te hard en dook op het laatste moment via een landweggetje een weiland in. Driehonderd meter verder stuurde hij zijn fiets de weg weer op. Onderaan de Col de Menté hadden vrijwel alle renners versleten zolen, maar Wagtmans had zelfs geen neuzen meer in zijn schoenen. Hij beweerde dat hij onderweg met zijn tenen het asfalt had gevoeld.

De duivelse onweersbui duurde maar een kwartier tot twintig minuten. Onderweg naar de Col du Portillon klaarde het snel op. Eerst was het nog een beetje druilerig, maar toen werd het droog.

Dat zag Ocaña ook vanuit de helikopter die hem naar het ziekenhuis van Saint-Gaudens vloog. De ambulance had hem naar een plek gebracht waar het toestel kon landen.

José Manuel Fuente won de etappe met ruim zes minuten voorsprong op Zoetemelk, Van Impe en Merckx. Agostinho kwam een minuutje later binnen. Merckx werd aan de voet van de Col du Portillon onthaald met spuug en stenen. Luis Ocaña werd door de Fransen als een van hen beschouwd – zeker nu Jacques Anquetil niet meer fietste, Roger Pingeon was geschorst en Raymond Poulidor al 35 was – en ze rekenden het Merckx aan dat hun lieveling ten val was gekomen en moest opgeven.

Eddy Merckx weigerde de zoenen, de bloemen en de gele trui en hij zou ook de volgende dag niet in het geel maar in het wit vertrekken. Hij wilde zo eer bewijzen aan zijn ‘grootste tegenstander die ik heb leren respecteren en die slechts door het domme noodlot is uitgeschakeld’. Merckx vond dat hij de Tour sowieso verloren had – er zou immers altijd twijfel blijven rond zijn eindzege – en dacht aan opgeven. Zijn ploeg wist hem om te praten. Hij wilde toch niet dat de eindzege naar die wieltjeszuiger Zoetemelk ging of naar die verrekte Van Impe, die weigerde aan te vallen?

Na onderzoek in het ziekenhuis bleek de toestand van Luis Ocaña erg mee te vallen. Hij had kneuzingen aan zijn borstkas, verwondingen aan zijn schouder en er was sprake van een shock, maar Ocaña mocht de volgende dag al naar huis. Hij moest drie weken rust houden – zolang hield hij ook pijn met ademhalen – maar dat kon ook prima in zijn villa in Bretagne-de-Marsan.

Direct na de veertiende etappe waren er twijfels over Ocaña’s kwetsuren, of hij niet simuleerde en gewoon had kunnen doorfietsen. Rini Wagtmans zei die avond: ‘Ocaña mankeert niks, die houden ze niet in het ziekenhuis.’ Tot op de dag van vandaag is hij ervan overtuigd dat Ocaña stikkapot zat en op zoek was naar een mogelijkheid om eervol te lossen en bevrijd te worden van zijn faalangst. Er waren ook journalisten, veelal bevriend met Merckx, die niet geloofden dat Ocaña niet verder kon. Er was een mentale veer gebroken, meenden zij, en het noodweer en de paniekerige conclusie van de Tourarts – met de gebroken rug van Roger Rivière (1960) en de dood van Tom Simpson (1967) nog vers in het geheugen – hadden de rest gedaan.

Maar de meeste volgers van de Tour en collega-renners, die Ocaña kenden als een bikkelharde coureur die zichzelf nooit ontzag, wisten zeker dat de Spanjaard echt niet verder had gekund. ‘Ocaña had zoveel karakter,’ zei Joop Zoetemelk, ‘die had zich, zeker met het geel om de schouders, letterlijk dood willen knokken.’

‘Mijn angst veranderde in paniek,’ vertelde Luis Ocaña in zijn autobiografie, ‘en ik dacht dat ik doodging. Het was alsof mijn borstkas was ingedrukt, maar mijn mentale toestand was gewoon afschuwelijk.’

Eddy Merckx won de 58ste Tour de France met respectievelijk tien en elf minuten voorsprong op Joop Zoetemelk en Lucien Van Impe, maar niet dan nadat hij voor de 17de etappe Luis Ocaña had opgezocht in zijn huis. De twee waren nog steeds geen vrienden, maar Merckx wilde zijn medeleven en respect tonen. Hun relatie verbeterde enorm toen de twee na hun carrières naast elkaar in een vliegtuig kwamen te zitten en het op een zuipen zetten. Op dat vlak was Merckx overigens geen partij voor Ocaña. De Belg werd na een paar drankjes al licht in het hoofd, Luis Ocaña stond na twee flessen whisky nog overeind. Juan Hortelano, renner en boezemvriend van Ocaña, zei dat de Spanjaard Eddy Merckx in ieder geval op twee terreinen versloeg: hoeren en alcohol.

De Ronde van Frankrijk 1971 was een onvoltooide symfonie en iedereen hoopte op nieuwe, enerverende gevechten tussen de twee rivalen, maar welbeschouwd kwamen die er niet. De twee startten wel samen in de Tour van 1972, maar in de zevende etappe in de Pyreneeën kwakte Ocaña weer tegen het asfalt. De Soulor afdalend in de regen en de mist, moest hij uitwijken voor een paar stilstaande auto’s. In zijn val nam hij Bernard Thévenet en Alain Santy mee. De eerste had een lichte hersenschudding, maar eindigde nog als negende in Parijs. Santy brak zijn nek en verbleef zes maanden in het ziekenhuis. Ocaña hield aan de val pijnlijke verwondingen en een longinfectie over en stapte een week later af – met meer dan tien minuten achterstand op eindwinnaar Merckx. Het was Ocaña’s derde opgave in vier jaar.

In 1973 reed Luis Ocaña de Ronde van Frankrijk wel uit, en hoe. Hij viel – uiteraard – in de eerste etappe van Scheveningen naar Rotterdam over een hond, maar won vervolgens zes etappes, reed in een zware Alpenrit kanshebbers als Zoetemelk en Van Impe op ruim twintig minuten en won het algemeen klassement met meer dan een kwartier voorsprong op Bernard Thévenet. ‘Merckx kon ik vorig jaar nog wel volgen,’ zei Joop Zoetemelk, ‘Ocaña als hij deze Tour aanviel, niet één keer.’

Het was een prachtige, merckxiaanse zege. Er was alleen één maar: Merckx deed niet mee. Die koos dat jaar voor de twee andere grote rondes, die hij allebei won – de Vuelta voor Luis Ocaña. Over Merckx’ afwezigheid in de Tour de France deden drie verhalen de ronde. Merckx had geen zin in de steeds bozer wordende Franse fans, hij vond het parcours met veel en lange bergetappes te zwaar én hij zou verzocht en betaald zijn door Jacques Goddet om weg te blijven: nóg een jaar een oppermachtige Merckx zou de doodsteek zijn voor de Tour.

In dat jaar 1973, zijn meest succesvolle met onder meer winst in de Dauphiné Libéré, de Ronde van Baskenland en de Catalaanse Week, werd Ocaña ook nog derde op het WK – na Felice Gimondi en Freddy Maertens maar net voor Merckx – maar van een machtsovername was geen sprake. In 1974 miste Luis Ocaña de Tour vanwege ziekte, een jaar later stapte hij na dertien etappes af met knieproblemen en in 1976 werd de Spanjaard 14de. In dienst van het Nederlandse Frisol reed Ocaña in 1977 zijn laatste Tour. Hij werd slechts 25ste, mede door een tijdstraf van tien minuten na een positieve plas. Het was trouwens ook Eddy Merckx’ laatste Ronde van Frankrijk.

In 1973 was Luis Ocaña al begonnen met het leven na zijn carrière door twintig hectare wijngaarden en een armagnacdistilleerderij te kopen. Hij had geen verstand van druiven en van distilleren, vertrouwde hij Rini Wagtmans toe, maar dat kon je toch leren? Het was een dure investering in een instabiele markt en zeker voor iemand die er zelf niet in spuugde, leek het zelfmoord.

Twee jaar wierp Ocaña zich intensief op zijn bedrijf, maar hij miste de koers te veel en keerde in 1979 terug in de Tour als chauffeur en co-commentator van het Franse Antenne 2. Hij liet de zorg voor de druiven en het distillatieproces over aan zijn werknemers.

Op de rustdag na Lucien Van Impe’s zege in Les Ménuires – Alpenstation in de Savoie – deed Ocaña mee aan een rit voor auto’s met vierwielaandrijving op een geaccidenteerd terrein. Het was bedoeld als pleziertochtje voor de media, maar Luis Ocaña wilde per se winnen. Hij had tijdens de lunch al anderhalve fles wijn soldaat gemaakt en verloor de macht over het stuur. De auto stuiterde ruim tweehonderd meter naar beneden. Zijn bijrijder had een schedelbasisfractuur en een bekkenbreuk. Ocaña brak zijn onderarm, zijn kaakbeen op twee plaatsen en liep verschillende verwondingen op in zijn gezicht. De Spanjaard lag lang in het ziekenhuis en hield aan het ongeluk een halfblind oog en een hinderlijke doofheid over.

Luis Ocaña keerde terug in de wielerwereld als weinig succesvol en chaotisch ploegleider van onder meer de Colombianen Lucho Herrera en Fabio Parra, die er volgens hem ‘geen klote’ van konden. Hij werd weer columnist, commentator en chauffeur van Spaanse en Franse media en dat ontging niemand in het volgerspeloton. Als er een zeshoornige claxon klonk, stuurden de andere auto’s de berm in. Dan was Ocaña in aantocht, die reed dwars door alles heen; als het moest zelfs door toeschouwers.

De Tourwinnaar van 1973 bleef tot zijn dood actief in de wielersport, maar kreeg vanwege zijn hechte relatie met het noodlot nóg een zwaar auto-ongeluk. Bij de benodigde bloedtransfusie ging wat mis: Luis Ocaña liep een ongeneeslijke, fatale vorm van hepatitis B op, een leverontsteking.

Het was donderdag 19 mei 1994, drie dagen voor de start van de Giro. Luis Ocaña zat voor het raam in zijn kantoor en keek uit over zijn vrijwel failliete landgoed in Caupenne d’Armagnac. Hij had net een telefoongesprek met zijn goede vriend Juan Hortelano in Madrid beëindigd. Het was geen vrolijke conversatie, de twee hadden afscheid genomen. Ocaña vertelde dat hij weer geweldig ruzie met zijn vrouw Josiane had gehad. Hij kon er niet meer tegen.

Luis Ocaña wist al een half jaar dat hij niet lang meer te leven had, dat hadden dokters in Toulouse hem verteld. Hij had zijn vrouw gevraagd om een scheiding, maar Josiane dreigde hem te vermoorden. Ze wist al twintig jaar dat haar man een minnares had, Marie Jo, en dat had ze getolereerd, maar zo vlak voor de finish liet ze zich niet dumpen.

De twee hadden vanaf dat moment constant ruzie en Josiane was al eens op een nacht met een groot mes naar de bank in de woonkamer geslopen waar Luis lag te slapen, maar hij werd op tijd wakker.

De dag ervoor was het opnieuw tot een uitbarsting gekomen. Luis had het al vroeg op een drinken gezet en was dronken van de whisky en armagnac bij Josiane in bed gekropen. Ze hadden seks gehad, onveilig. Josiane liep nu ook het gevaar besmet te zijn met hepatitis B en dat had een nieuwe, knallende ruzie opgeleverd, die tussen de lakens was gesust. Het was een enigszins extreme samenvatting van hun relatie.

De ochtend was ook al niet alledaags begonnen. Josiane had suiker in de benzinetank van zijn auto gegoten, zodat de auto niet zou starten. Ze had het vermoeden dat Luis zijn minnares Marie Jo wilde meenemen naar de Giro, en dat ging niet gebeuren.

Nu zat Luis Ocaña op zijn kantoor met de deur op slot. Hij had de afgelopen weken nog commentaar geleverd bij de Vuelta, die net was afgelopen. Tijdens een van de uitzendingen vroeg iemand hem wanneer hij het gelukkigst was geweest. Wat was dat nou voor vraag? Al die jaren op de fiets natuurlijk! Hij kon zich tenminste niet herinneren dat hij toen ook al depressies had. Hij had het antwoord dik aangezet, zo kenden ze hem: ‘Als iemand me nu zou vertellen dat ik de Tour kon rijden en zou doodvallen als ik aan het eindpunt kwam, dan tekende ik meteen, zonder enige aarzeling.’

Op het in de Tour rijden had Luis Ocaña geen invloed meer, op het doodvallen wel. Hij haalde zijn 9 mm pistool uit de bureaula, stopte er twee kogels in – dat had hij zijn vriend Juan Hortelano net beloofd. Luis had hem verteld wat hij ging doen en Juan had hem niet op andere gedachten willen brengen. Hij had alleen gezegd dat Luis twee kogels moest gebruiken. Hij wilde toch niet de rest van zijn leven in een rolstoel zitten omdat hij had gemist?

Luis Ocaña, 48 pas, zette het pistool op zijn slaap en haalde de trekker over.

Een paar weken later zat Juan Hortelano tegenover een prostituee in de Pygmalion Club in Madrid. Hij was hier om een van Luis Ocaña’s laatste wensen te doen uitkomen.

De Bolero van Ravel laten spelen op zijn begrafenis was natuurlijk een gemakkelijke opdracht, maar verder was het een hectische periode geweest. Er waren veel mensen die niet wilden geloven dat Ocaña’s dood zelfmoord was. Had hij niet de dag voor zijn overlijden nog gewoon wijnranken geplant en zijn moeder gevraagd speciale oliebollen te bakken om mee te nemen naar de Giro? En waarom had hij kortgeleden nog een vruchtbaarheidstest laten doen en gesproken over een kindje met Marie Jo? Maar bovenal: waarom zat de kogel in de linkerslaap terwijl Luis rechtshandig was? De hele familie was verdacht, vooral Josiane, maar de politie concludeerde na een kort onderzoek toch dat Luis Ocaña de hand aan zichzelf had geslagen.

In het bordeel in Madrid hief Juan Hortelano een glas whisky en de prostituee volgde zijn voorbeeld. Ze had geen idee dat Hortelano wat van Luis Ocaña’s as door haar drankje had geroerd en ze sloeg de whisky in één keer achterover. Hortelano deed hetzelfde en lachte.

Met dank aan: Rini Wagtmans, Joop Zoetemelk, Evert-Jan van den Berg, Peter Ouwerkerk, Jan Luitzen.

Bronnen: De Muur, Rouleur Magazine, Wielerrevue, Wielersport, NRC Handelsblad, de Volkskrant, Algemeen Dagblad, De Telegraaf, Trouw, Het Vrije Volk, Brabants Dagblad, Eindhovens Dagblad, BN/De Stem, Dagblad van het Noorden, Provinciale Zeeuwse Courant, Amersfoortse Courant, De Gelderlander, Het Parool, The Daily Telegraph, The Independent, The Guardian, The Observer, The Times, The Scotsman, Birmingham Evening Mail, Evening Standard, The Globe and Mail, The Toronto Star, The New York Times.

 

Literatuur: Peter Ouwerkerk – Tourkoorts; Jean Nelissen – Hemel en hel op een stukje leer; Lucien Berghmans – Guillaume Driessens zegt alles; Jan Cornand – Eddy Merckx-story; Wim Amels – Het wielerleven van Joop Zoetemelk; Nico Scheepmaker – Leven in woord en beeld; Robert Janssens – Eddy Merckx; Peter Ouwerkerk – Ongekend; Jan Cornand – Hoe Merckx de Tour verloor; Bernard Callens – Feiten en figuren uit de Tour; Jean Nelissen – In de schaduw van de gele trui; Wim Amels – De geschiedenis van de Tour; Reina van der Wal en Rob Groen – Tour de France van A tot Z; Bert Wagendorp – Tussen Bordeaux en Alpe d’Huez; Raymond Kerckhoffs en Robert Janssens – Triomf en tragiek op de Tourcols; Jean Nelissen – De bijbel van 101 jaar Tour; Matt Rendell – Hoge toppen, diepe dalen; Mart Smeets – 100 Mannen; Daniel Friebe – Eddy Merckx: een leven; Robert Janssens – Vreugde en verdriet in de Tour de France; Eddy Merckx – Mijn wegjournaal; Geoffrey Wheatcroft – Le Tour: A history of the Tour de France; François Terbeen – Luis Ocaña: Pour un maillot jaune; François Terbeen – Merckx-Ocaña, duel au sommet; Graeme Fife – Tour de France, The History, The Legend, The Riders; Frederik Backelandt – Eddy Merckx: 525; William Fotheringdam – Merckx: half mens, half fiets.

 

 

 

De Muur #43

De Walthours - De Kennedy's van het wielrennen

In het voorjaar van 2010 hoorden wij voor het eerst de naam Walthour. Eigenlijk zei Erik Brouwer, want die kwam ermee, meteen ‘de Walthours’. Of wij weleens van de Walthours had gehoord. Nee dus. Nou, dan had Erik Brouwer een nieuw verhaal voor De Muur. De Walthours, zei hij, dat was een stamboom vol Amerikaanse wielergeschiedenis, een legendarische familie van hardfietsers, een doorlopende genealogie op twee wielen, die ergens in de negentiende eeuw begon en die tot in onze tijd renners had voortgebracht.

De Muur 43.indd

Toen hij in een exposé dat minstens tienduizend woorden telde de Walthours van achtergrond had voorzien, was duidelijk dat het familieverhaal slechts in boekvorm verteld zou kunnen worden. Brouwer was op dat moment al bezig met een ander Amerikaans project, waarover we binnenkort nog veel gaan vernemen. Hij moest daarvoor regelmatig de Atlantische Oceaan over. Hij zou zijn onderzoek naar de Walthours daarmee goed kunnen combineren. Hij had al leden van de familie getraceerd in diverse staten en was van plan ze allemaal met een bezoek te vereren.

Erik Brouwer (1972) volgde voor De Muur in 2007 de Giro d’Italia. Een week na afloop van die ronde verscheen zijn verslag als integrale Muur-uitgave, als een late echo van het legendarische De Ronde van Italië van Dino Buzzati, uit 1949. Zijn later ook in boekvorm verschenen superreportage verdient dezelfde status als Buzzati’s verzamelde verslagen: die van het tijdloze kunstwerk. In datzelfde jaar schreef Brouwer in De Muur een lang verhaal over de wielerliefde van Ernest Hemingway, waarvoor hij zelfs de eerste aanzet voor een wielerroman van Hemingway’s hand opduikelde in een Hemingway-museum in Philadelphia. Hij won met het schitterende stuk de Hard gras Prijs voor het beste sportverhaal.

De band tussen Erik Brouwer en De Muur mag dus gerust een gelukkige worden genoemd. Hij behoort tot de zeldzame en voor tijdschriftredacteuren begerenswaardige sportschrijvers van wie je weet dat ze hun originele ideeën uitwerken in een ijzersterk verhaal.  Brouwer gebruikt sport meer als de motor voor een verhaal dan als onderwerp. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Spartacus, over zijn Joodse overgrootvader Emanuel Brouwer, die in 1908 deelnam aan de Olympische Spelen in Londen. In dat boek, waarmee hij in 2010 de Nico Scheepmaker Beker voor het beste sportboek won, schetst hij de vooroorlogse Joodse wereld van Amsterdam zo beeldend, dat die bijna tastbaar wordt.

Zo neemt hij de lezer aan de hand van de Walthours mee naar andere tijden, naar de rokerige chaos van de zesdaagses van Madison Square Garden, het Europese baancircuit en de levensgevaarlijke races achter de grote motoren, vermoedelijk dodelijker dan de Formule I-races in hun slechtste tijd. Brouwer beschrijft de hoogtijdagen van de Amerikaanse baansport, waarin de renners meer verdienden dan de grote sterren van het honkbal. Maar hij schetst vooral een beeld van een familie, fietsende nazaten van de Amerikaanse sportlegende Bobby Walthour I, zelf nakomeling van Duitse plantagehouders en voorzien van een nietsontziend karakter dat moed paarde aan een naar krankzinnigheid neigende doodsverachting en drang om te winnen.

Brouwers verhaal over de ‘Kennedy’s van het wielrennen’ is meer dan sportgeschiedenis. Uit zijn gesprekken met de nakomelingen van Bobby I en uit zijn diepgravende archiefonderzoek naar de Walthours creëert hij een tijdsbeeld. Er stijgt uit de pagina’s een geur op van rubber op het houten plankier, we horen de kreten van pijn zich vermengen met felle aanmoedigingen, we zien de dollarbiljetten neerdwarrelen. Brouwer mengt euforie met verbittering, hoogmoed met desillusie en noodlot met volharding tot een fascinerend verhaal.

We wensen u veel plezier met deze Muur, die half december verschijnt.

John Kroon, Peter Ouwerkerk, Mart Smeets, Bert Wagendorp

De Muur wielerscheurkalender

Het einde van het jaar nadert. Het wegseizoen is al eventjes geleden afgelopen en 2014 is nog even weg. Ook al zullen de puristen onder scheurkalendergebruikers zeggen dat je niet vooruit mag lezen, kan je het zwarte gat waar we ons nu in bevinden heel goed opvullen met De Muur Scheurkalender 2014.

Aquina, L. en Geuyen, L. - De Muur scheurkalender 2015

Leon Geuyen en Leo Aquina hebben weer een mooie verzameling wielerverhalen bijeengebracht en die kalender voor het komende jaar is nu in de winkel te koop. En waar kan je die kalender nu beter kan, dan bij onze vrienden van Blue On Bike. Krijg je er nog een rijmpje bij ook.

Sla je slag: http://blueonbike.nl/home/wielerscheurkalender-2014.html